Perslucht

Ik word wakker. Mijn hoofd staat op ontploffen. Een alarmbel krijst en paniek neemt de bovenhand. Bevende handen zoeken zenuwachtig een weg over de witte structuurloze wand die deze ongekende ruimte omringt. Ik wil weg! Een groen licht ontwaakt onder mijn vingers. Een luide plof. Gesis volgt. Perslucht! Mijn ogen zoeken het geluid op en ik zie de wand deels openschuiven. Ik stap buiten en kom uit op een ellenlange gang. Plof! Sis! Uit het deurgat aan de overkant stapt een trillend gestalte buiten en kijkt mij nerveus aan. Ik kijk recht in de ogen van… mezelf. Plof! Sis!

Advertenties

Die verdomde ader

Rustig blijven. Vooral blijven ademen. Ik stamel uit: “Het is niet wat je denkt.” Ze draait zich naar mij toe. Die verdomde ader op haar voorhoofd roept haar ergernis uit. Koud zweet neemt de overhand en mijn hart klopt bijna uit mijn keel. Haar ogen spuwen vuur. Ze smijt mijn smartphone tegen de grond, een stuk ervan rolt tot tegen de tip van mijn schoen. Haar mond beweegt alsof ze iets wil zeggen, maar ze bedenkt zich en stapt de kamer uit. Ik ga aan de raam staan en kijk naar de straatstenen. Fuck. Daar ligt m’n halve inboedel.

Haar hand

Hij veegde zijn tranen weg en nam haar hand stevig in de zijne. Hij liet z’n vingers gaan over de ring waar ze zo gelukkig om was geweest toen hij haar de ultieme vraag had gesteld. Over haar vingers die hem vijf minuten geleden nog hadden gewezen op de bruine vlek op z’n hemd, die wellicht kwam van een druppel die van z’n tas koffie was gerold. Hij legde haar hand terug bij wat ooit haar mooie lichaam was, hoorde de explosie telkens weer opnieuw in z’n hoofd nazinderen en hoorde daarna alleen nog een man onophoudelijk huilen.